HISTORIE

In 1926 trouwde Piet van Rooij met Maria van Uden en in datzelfde jaar namen zij een bakkerij met kruidenierszaak over in het Brabantse Mill. Er werd op kleine schaal brood gebakken maar er was veel armoede. De werkelijke omzet bleek veel lager dan voor de overname was voorgespiegeld. 

Om toch wat extra inkomsten te genereren werden het brood en de kruidenierswaren met de fiets rondgebracht. Ten tijde van de oorlog werd er voornamelijk brood gebakken van het graan dat door de boeren zelf werd aangeleverd. De bakkerij lag direct aan het Peelkanaal, het ‘defensie’ kanaal, en werd tijdens de strijd zeer ernstig beschadigd.

Zoals voor velen waren het jaren van overleven maar na de oorlog werd er een nieuwe start gemaakt met bakken en bezorgen.

Pittebakjes voorloper van partycups
In 1961 trouwde zoon Sjef met Mia Coppers en samen namen zij in 1961 de bakkerij en kruidenierszaak over. Mia kwam ook uit een ondernemersgezin en had veel kennis van kruidenierswaren. Deze kennis en de ambities van Sjef bleken een goede zet voor de bakkerij. De winkel onderging in 1961 een complete metamorfose. Brood was een enorm belangrijk aandeel van de omzet, luxe banket werd bij zeer hoge uitzondering gemaakt. Broer Ad bleef tijdens zijn technische opleiding Sjef volgen en assisteren. Ad wilde eigenlijk piloot worden maar dat zag moeder niet zitten. De broers hadden altijd al een prima verstandhouding en steeds vaker werkten ze nauw samen in de bakkerij. De technische kennis van Ad kwam erg goed van pas. Sjef stak zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken en in 1963 kreeg hij de vraag van zijn gistleverancier of hij grotere hoeveelheden ‘pittebakjes’ kon maken; de voorlopers van de partycups. Dit gebakken deegkuipje werd met regelmaat gevraagd voor recepties maar was moeilijk verkrijgbaar.

In 1963 werd het inventaris van een bakkerij uit Zeist gekocht waardoor ook een uitrolmachine voor deeg beschikbaar kwam. Met deze machine kon Sjef aan de vraag naargrotere hoeveelheden ‘pittebakjes’ en korstwerk, zoals kerstletters en banketletters, voldoen.

Leven en laten leven
Het zogeheten ‘korstwerk’, dat we kennen als bladerdeeg, bleef Sjef in hoge mate boeien. Tijdens een winkelbezoek in het eigen dorp zag hij pasteibakjes liggen. Dat was een uitdaging: “Volgens mij kan ik dit ook!” Hoewel dit gemakkelijker was gezegd dan gedaan, lukte het hem toch na een paar testjes een pasteibakje te maken. Nauwlettend volgde hij ook de ontwikkelingen van het aantal bakkerijen in Mill. Dat waren er in 1965 meer dan 10 op een inwonersaantal van een kleine 3.000. Sjef zag het al aankomen dat door de toekomstige automatisering er vroeg of laat voor verschillende bakkerijen geen toekomst meer zou zijn. Het zat Sjef echter niet in de genen om klanten van collega bakkers af te pakken. Het motto was: ‘leven en laten leven’ maar ook wilde hij Mia en hun 5 kinderen een betere toekomst met meer perspectief bieden.

Met in zijn achterhoofd de pasteibakjes uit de winkel kreeg hij niet lang daarna zijn eerste bestelling voor 4 kartons pasteibakjes. Hij maakte aan Mia kenbaar dat hij in dit product wel toekomst zag en samen met broer Ad besloten zij het iets groter aan te pakken. Ze vonden dat pasteitjes niet helemaal uit Frankrijk hoefden te komen. Die moeten toch ook gewoon in Nederland kunnen worden gemaakt? 

Een enorme stap
Na enige tijd van veelal handmatig produceren is later op iets grotere schaal de vervaardiging van pittebakjes, roomhoorns en andere bladerdeegartikelen waaronder pasteibakjes opgestart. Langzaamaan werd de productie wat specialistischer en in 1971 stopten Sjef en Mia met het bakken en verkopen van brood. De winkel werd gesloten. De bakkerij verhuisde in 1973 naar het huidige pand waar voorheen een confectie bedrijf was gevestigd. Tegelijkertijd kwam ook broer Ad in het bedrijf en is de samenwerking van de gebroeders Van Rooij officieel begonnen. Het was een enorme stap met een moeilijk begin maar het woord ‘opgeven’ komt in de familie Van Rooij niet voor. 

Begin jaren ‘70 werden er vaak 10.000 pasteibakjes per week geproduceerd maar met heel veel mankracht. De bakkerij veranderde langzaam in een fabriek en naast de binnenlandse verkoop werd soms ook al over de landgrens gekeken.

Het overgrote deel van de producten werd tot begin jaren ‘80 in Nederland verkocht. De productie kon die vraag al nauwelijks bijbenen waardoor iedere paar jaar de fabriek werd uitgebreid en er modernere en snellere machines werden gekocht. Actief verkopen gebeurde nauwelijks, de omzet groeide in hoog tempo en nog meer klanten zou de productie nog meer onder druk zetten.

In 1992 namen beide zoons van Sjef, Jos en Frank de fabriek over. Dit ging zeker niet zonder slag of stoot. Vanuit de schoolbanken bladerdeeg maken viel al niet mee en verkopen was hen ook niet met de paplepel ingegoten. Hard werken konden ze wel en met ‘leren door te doen’, kreeg zowel de productie als de verkoop vanaf 1996 toch meer gestalte en dat niet zonder succes.

Daarom kan er met trots worden gezegd dat er een professionele organisatie is ontstaan vanuit een echt familiebedrijf. Het familiare gevoel is nog dagelijks voelbaar door de gehele organisatie.